Tussen zielloos en bezield

Funeraire architectuur in historisch perspectief


Wim Cappers


Funeraire architectuur maakt plaats voor de dood. Eeuwenlang was het kerkgebouw zowel godshuis als begraafplaats. Tegenwoordig nemen nabestaanden afscheid van de overledene in een aula en heeft de lijkbezorging plaats op een begraafplaats of in een crematorium aan de rand van de stad. Een hink-stap-sprong langs de ijkpunten 1830, 1915 en 1975 schetst de ontwikkeling van de ligging, de functie, de betekenis en de vormgeving van funeraire architectuur in Nederland.


Van kerk naar begraafplaats

In de zomer van 1826 brak er in Groningen een malaria-epidemie uit. Medio augustus waren 3.000 van de 28.000 inwoners ziek en in december waren er al ruim tweeduizend mensen gestorven. Ze werden begraven in en rond de Martinikerk, de A-kerk en de Noorderkerk. Aangezien de lijken niet of nauwelijks de kans kregen om te ontbinden en de angst voor besmetting door lijken groot was, verbood het gemeentebestuur met ingang van 1 december echter het begraven in kerken en ging het op zoek naar terreinen buiten de stad om daar twee begraafplaatsen te laten aanleggen.
In de eerste eeuwen begroeven christenen hun doden evenals de joden en de Romeinen buiten steden en dorpen. Vanwege het geloof in de opstanding uit de dood met ziel en lichaam verwierpen zij crematie. Na de stopzetting van de vervolgingen door de Romeinen in 313 bouwden ze basilieken op de graven van martelaren. Gestorvenen lieten zich in de nabijheid van een martelarengraf begraven, waar ze onder de bescherming van de heilige rustig de jongste dag afwachtten. Door het uiteenvallen van het Romeinse Rijk en stadsuitbreidingen kregen de relieken van martelaren vanaf het eind van de 4de eeuw een plek in kerken binnen de steden. De overledenen lieten zich daar eveneens begraven. Bij de kerstening van de Nederlanden vanaf de 8ste eeuw werden deze gewoonten overgenomen. Terwijl op de graven in de kerk zerken lagen, waren op het kerkhof weinig gedenktekens aanwezig, aangezien voor de hier begraven gelovigen het oprichten van die tekens te duur was. Bovendien was rusten in gewijde grond bij een reliek voor hen voldoende. Op het kerkhof werden wel knekelhuizen gebouwd voor het bewaren van botten uit geruimde graven. In de gotische kerken liet de elite in de 15de eeuw kapellen inrichten, waar voor haar zielenheil werd gebeden.
Toen sinds de Reformatie in de 16de eeuw de protestanten de bemiddeling voor het zielenheil afwezen, stelden de katholieken op hun beurt paal en perk aan de reliekverering. In de protestants geworden kerken werden relieken verboden. Zo is de arm van Jan de Doper, die sinds 1220 in een reliekhouder op het St. Jansaltaar van de Martinikerk prijkte, rond 1588 voor het laatst in Groningen gezien. Uit gewoonte en vanwege de inkomsten voor de kerk bleven protestanten en katholieken hun doden in de bebouwde kom begraven. Het begraven in kerken zorgde echter voor veel ongemak omdat vloeren altijd open lagen en op gezette tijden moesten worden geëgaliseerd. Bovendien formuleerden verlichte geesten in de tweede helft van de 18de eeuw fundamentele bezwaren, die niet het zielenheil maar het lichamelijk welzijn centraal stelden. Medisch onderzoek wees volgens geestverwanten als A. Perrenot en J.D. van Leeuwen uit, dat uit de ontbindende lijken kwalijke dampen met smetstoffen opstegen, die kerkgangers en omwonenden van kerkhoven ziek maakten. Hoewel de voorstanders zonder de ideologische rechtvaardiging van het zielenheil geen wezenlijk verweer hadden, duurde het nog tientallen jaren voor de gehechtheid aan een graf in de kerk week voor de zorg voor de hygiëne.
Toen het Koninkrijk Holland in 1810 opging in het Franse Rijk, werd ook hier het decreet uit 1804 van kracht, dat het begraven in kerken verbood. Mede naar aanleiding van dat decreet is buiten Parijs de landschappelijke begraafplaats Père Lachaise aangelegd. Zodra de Fransen in 1813 hun hielen lichten, werd het decreet weer buiten werking gesteld. Pas nadat een commissie van genees- en scheikundigen de kritiek op het begraven in kerken in 1825 had onderschreven, kondigde de Nederlandse overheid in 1827 de herinvoering van het Franse decreet aan. Voortaan zouden nabestaanden de kerk bij een sterfgeval alleen gebruiken voor het godsdienstige afscheid. Knekelhuizen werden geruimd en afgebroken. Kerkhoven als die bij de Martinikerk werden getransformeerd tot plantsoen en in de kerken werden de vloeren voor de laatste keer geëgaliseerd. Soms kregen de zerken zelfs een afdekking van houten vlonders.
Vóór 1829 moest elke plaats met meer dan duizend inwoners in het lege land een begraafplaats aanleggen. Om de grotere afstand te overbruggen schakelden nabestaanden voor een uitvaart begrafenisondernemers in voor het vervoer van de rouwstoet met een lijkkoets en volgkoetsen. Gezien de malaria-epidemie opende Groningen al in 1827 de Noorder- en de Zuiderbegraafplaats. De beide begraafplaatsen kregen in strakke rijen gerangschikte graven. Die pragmatische inrichting strookte met de uitslag van de prijsvraag voor het ontwerpen van een begraafplaats door de Maatschappij tot Aanmoediging der Bouwkunde, die in 1829 de geometrische opzet van C. Kramm bekroonde. De Groningse dodenakkers waren opgedeeld in vijf klassen. Voor de joodse gemeenschap werd in overeenstemming met het Franse decreet op de Noorderbegraafplaats een apart deel ingericht
Elders werd een andere weg gevolgd. De algemene begraafplaats van Zutphen uit 1830 kan als voorbeeld dienen. Voor de aanleg kocht het stadsbestuur ten oosten van de Laarpoort grond aan. Rond de begraafplaats werd een gracht gegraven. Met de grond hoogde men het terrein op om overstroming door de IJssel en de Berkel te voorkomen. Door volgens wettelijk voorschrift bovendien minimaal dertig centimeter ruimte tussen de graven aan te houden, konden de lijken op hygiënische wijze ontbinden. De terreinophoging werd bovendien ingezet in het ontwerp voor de begraafplaats in de Engelse landschapsstijl, die destijds in zwang raakte. De toepassing ervan voor dodenakkers hangt ook samen met een nieuwe houding tegenover de dood. Sinds de tweede helft van de 18de eeuw kwam de groeiende gerichtheid op het aardse bestaan niet alleen tot uiting in een beroep op het verstand, maar ging men openlijker emoties tonen. Bij een overlijden verschoof de aandacht van de stervende naar de nabestaanden. Zij hadden behoefte aan een plek om te rouwen om de dood van de ander. Nu begraafplaatsen vanwege de hygiëne buiten de bebouwde kom werden aangelegd en daarmee de kerk als richtpunt voor de vormgeving wegviel, ging men vanwege de behoefte aan een lekencultus de begraafplaats tijdens de Romantiek inrichten als landschappelijk park.
J.D. Zocher jr., dé vertegenwoordiger van de Engelse landschapsstijl, had tijdens een studiereis naar Parijs in 1809-1810 geleerd hoe klassieke architectuur en natuur met elkaar kunnen harmoniëren. Als bij de Utrechtse begraafplaats Soestbergen ontwierp Zocher voor Zutphen een romantische begraafplaats met lichte glooiingen, donker groen, afwisselende waterpartijen, slingerende paden en verrassende doorkijkjes naar klassieke monumenten, die ook ter stoffering dienen. Nabestaanden liepen van de Laarpoort naar de begraafplaats, waar het poortgebouw toegang gaf tot de door een gracht omringde dodenstad en de landschappelijke inrichting melancholische gevoelens opriep.
Aangezien Zutphen een vestingstad was, waren vanwege een vrij zicht- en schootsveld binnen een kring rond de omwalling stenen gebouwen verboden. Het poortgebouw met doodgraverswoning en een wachtkamer voor nabestaanden werd daarom gemaakt van hout, zodat het bij oorlogsdreiging snel kon worden afgebroken. Naar de gewoonte van die tijd was het poortgebouw opgetrokken in een neoclassicistische stijl met pilasters in de Dorische orde. Of het ontwerp voor de poort van de hand van Zocher is, is nooit met zekerheid vastgesteld.
De wachtkamer in het houten poortgebouw deed ook dienst als kamer voor schijndoden, een bijzondere voorziening, die, evenals de ligging buiten de bebouwde kom, tekenend is voor de verwereldlijkende houding tegenover de dood. In de tweede helft van de 18de eeuw meenden geneeskundigen niet alleen dat lijken kwalijke dampen uitwasenden, volgens medici als de Deen J.B. Winslow en de Fransman J.-J. Bruhier zouden er tot het moment dat lijklucht het begin van de ontbinding aankondigt nog levenskrachten in het lichaam zitten. Met de juiste handelingen was een schijndode te redden en daarmee diens aardse bestaan te rekken. De kamer voor schijndoden in het Zutphense poortgebouw bevond zich dus letterlijk op de drempel van het leven in de stad en de dood op de begraafplaats.
Op de algemene begraafplaats in Den Haag is in 1830 een afzonderlijk schijndodenhuis verrezen. Het gebouw en de begraafplaats werden ontworpen door stadsarchitect Z. Reijers. Hij had evenals Zocher in de periode 1809-1810 in Parijs gestudeerd en was bekend met de Engelse landschapsstijl, maar hij kreeg opdracht om de dodenakker geometrisch in te richten. Het schijndodenhuis kreeg in plaats van de traditionele kerk een plek midden op de begraafplaats.
In Parijs had Reijers kennis gemaakt met de daar bestaande voorkeur voor Italiaanse villa’s en het pleidooi van de Franse architectuurtheoreticus J.-N.-L. Durand voor eenvoud en het ontwerpen volgens een vaste maat. Het schijndodenhuis met opzichterswoning weerspiegelt die ideeën in de vorm van een neoklassiek, witgepleisterd villagebouw. Bovenin had de opzichter een kamer, zodat hij regelmatig kon controleren of een opgebaard lijk tekenen van leven vertoonde. Op de bovenverdieping kwam ook een ruimte voor familieleden of een arts. Het lijk zelf kon via een helling naar boven worden gebracht. Deze zijde van het gebouw lag op het noordoosten en bevond zich daardoor in de schaduw. Getemperd licht gleed tussen de Dorische zuilen naar binnen en maande de zielen van de nabestaanden tot overpeinzing. Hoewel cholera-epidemieën sinds 1832 van de schijndood een reëel probleem maakten, is in het schijndodenhuis waarschijnlijk nooit iemand opnieuw tot leven gewekt.
Terwijl het schijndodenhuis centraal op de Haagse algemene begraafplaats stond, vormde een kapel het middelpunt van de katholieke begraafplaats St. Petrus Banden, die in 1830 naast de algemene dodenakker in gebruik werd genomen. Architect was A. Tollus. Hij gaf de begraafplaats evenals Kramm en Reijers een sobere inrichting. De argumentatie was echter een andere. Niet de begraafplaats maar de hemel was voor katholieken het paradijs.
De in 1838 voltooide neoclassicistische kapel versterkte het katholieke karakter van de gewijde begraafplaats. De achthoekige centraalbouw, die stamt uit de kerkelijke architectuur ten tijde van de Renaissance en die in Frankrijk nog steeds navolging kende, heeft van buiten de vorm van een kruis als teken van het geloof in de opstanding. De hoeken zijn versierd met Dorische pilasters. Van binnen is de kapel cirkelvormig. De Ionische pilasters, de koepel en de witte bepleistering zonder versieringen gaven haar een sobere uitstraling. De kapel maakte op de begraafplaats alsnog een afscheid in een godshuis mogelijk. Binnen was namelijk een altaar aanwezig, waar voor het zielenheil van de overledenen werd gebeden. Bovendien verwees de kapel naar de martelarencultus. Voor het bijzetten van overleden priesters kwam er onder de vloer een grafkelder, die van buiten toegankelijk was.
In de tweede helft van de 19de eeuw veranderden functie, betekenis en vormgeving van de ruimtes voor het opgebaren en het afscheid nemen. Naar aanleiding van een pokkenepidemie met bijna 21.000 doden nam het parlement in 1872 de Wet op de besmettelijke ziekten aan, die begraafplaatsen verplichtte een lijkenhuis te in te richten. Anders dan bij een schijndodenhuis stond hier niet het ontdekken van eventuele levenstekenen bij een schijndode voorop, maar het tegengaan van besmettingen.
In 1873 ontwierp meester-timmerman J. Koudijs voor de oude algemene begraafplaats in Doorn een lijkenhuis in een eclectische stijl met neoclassicistische pilasters, obelisken, spitsbogen en pinakels. Het toepassen van neogotische elementen verwijst naar een ommekeer in de Nederlandse architectuur. Na een dominantie van het neoclassicisme begon in het midden van de 19de eeuw de neogotiek aan een opmars. Hoewel de stijl aanvankelijk het nationale, christelijke karakter van Nederland verbeeldde, gaf het later vooral uitdrukking aan de katholieke emancipatie. Stijlkeuzes gaven vervolgens uiting aan de verzuiling van de Nederlandse samenleving.
In 1897 liet de Amsterdamsche Aansprekersvereniging bij Amsterdam de begraafplaats Vredenhof aanleggen. Tuinarchitect was L.A. Springer, die drie jaar eerder dankzij een winnend prijsvraagontwerp verantwoordelijk was voor de landschappelijk ingerichte Nieuwe Ooster te Amsterdam. De eclectisch werkende A. Salm tekende op Vredenhof voor het villa-achtige ontvangstgebouw met woning en, als nieuwigheid, een aula. Weliswaar leek de aula met zijn klokkentoren, boogvensters, glas-in-loodramen en een spreekgestoelte op een kapel, maar het gebouw op de particuliere begraafplaats was bedoeld om, beschut tegen weer en wind, in de privésfeer uiting te geven aan het verdriet om het heengaan van een dierbare. Met de eclectische vormgeving gaven zowel het lijkenhuis in Doorn als de aula in Amsterdam uiting aan de verwereldlijking van de houding tegenover de dood.


Crematorium naast begraafplaats

In 1887 werd het lijk van schrijver Multatuli in het neoclassicistische crematorium van het Duitse Gotha verast. Anders dan de lijkverbrandingen tot het eind van de 8ste eeuw had deze crematie plaats in een besloten ruimte volgens een technisch procédé. De eerste zelfverkozen verassing van een Nederlander sinds meer dan duizend jaar inspireerde H.P. Berlage in zijn beginjaren als architect tot het ontwerp voor een aula met een crematorium en een mausoleum voor de Wereldtentoonstelling van 1889 in Parijs. Het monumentale, eclectische ontwerp won geen prijs, omdat het niet was uitgevoerd.
In 1874 richtten liberalen onder wie veel medici in Den Haag de Vereeniging voor Lijkverbranding op. Cremeren nam volgens hen niet alleen minder ruimte in beslag, maar was vooral ook hygiënischer. De lijkontbinding zou niet in tien jaar, maar in ruim een uur zijn voltooid. Daarom wilde de vereniging de Begrafeniswet van 1869 aanpassen om crematie mogelijk te maken. Dit voorstel viel bij protestanten en katholieken niet in goede aarde. Volgens hen stond lijkverbranding haaks op het geloof in de lichamelijke opstanding. De paus verbood katholieken in 1886 zelfs uitdrukkelijk zich te laten cremeren. Zelfs in wetenschappelijke kring bleek men genuanceerd te denken over de stelling van de crematisten, dat begraafplaatsen buiten de bebouwde kom onhygiënisch zouden zijn. Daarom schoof de discussie over de hygiëne naar de achtergrond. Vooruitlopend op het schoonheidsideaal van de Tachtigers prees de Vereeniging voor Lijkverbranding crematie sinds 1878 vooral aan vanwege de schoonheid van de lijkontbinding door vuur. Schoonheid werd zo een subjectief begrip, dat zich richtte naar de zuilen in de samenleving. Zoals begraafplaatsen een mooie inrichting kregen, zo relateerden voorstanders van lijkverbranding hun schoonheidsideaal aan het crematieproces met witte as als esthetisch resultaat.
Marius Poel, Ontwerp van het interieur van de aula van Nederlands eerste crematorium in Velsen, 1907
Aangezien regering en parlement de Begrafeniswet niet wilden wijzigen, liet de vereniging vanaf 1887 gestorven leden per spoor naar het crematorium in Gotha vervoeren en verassen. Twee jaar later werd besloten tot de bouw van een eigen crematorium om zo een uitspraak van de rechter uit te lokken. Aangezien geen enkele gemeente op haar algemene begraafplaats een crematorium durfde toe te laten, ging de vereniging in 1906 in op het aanbod van de particuliere begraafplaats Westerveld bij Velsen om voor de bouw een deel van het terrein in erfpacht af te staan.
Dankzij goede contacten met het bestuur van de vereniging werd de Hilversumse architect M.A. Poel de ontwerpopdracht gegund. Marius Poel liet zich waarschijnlijk inspireren door een crematoriumontwerp met koepel door J.G. van Gendt en J. Springer uit 1894. Het ontwerp, gedacht naast een sanatorium bij Hilversum, riep veel protesten op en is nooit gerealiseerd. Willem Kromhout en J.A.G. van der Steur rekenden Poels ontwerp door. In 1912 begon de bouw, die werd voltooid door W. van Dijk, nadat Poel wegens laksheid en slordigheid zijn ontslag kreeg. Het monumentale gebouw kwam te staan op een duintop. Een trap gaf toegang tot de kapelachtige aula, die na de introductie op begraafplaats Vredenhof gebruikelijk was geworden. Binnen benadrukte de neoklassieke koepel en de glas-in-loodramen de sacrale sfeer. Terwijl de kist achterin op de lift stond, namen nabestaanden met toespraken en orgelmuziek afscheid van de overledene. Nadat de kist via de lift naar de ovenruimte was gedaald, kon de familie desgewenst in de koffiekamer van Westerveld wat gebruiken. Intussen werd het stoffelijk overschot in de oven verast. Nadat de as in een onder de ovenruimte gelegen ruimte in een bus was verzameld, werd de asbus geplaatst in een urn, die een plek kreeg in het eveneens onder de aula gelegen columbarium. Deze witgepleisterde laagbouw benadrukte de stoffelijke sfeer van de hier bewaarde as.
In 1914 werd het lijk van de arts C.J. Vaillant als eerste in het crematorium verast. Nadat de rechter onvolkomenheden in de Begrafeniswet had geconstateerd, moest de overheid crematie vanaf 1915 gedogen. Sindsdien werden overledenen per trein en later met lijkauto’s naar Velsen gebracht en daar, desgewenst in het bijzijn van familieleden, gecremeerd.
Vanwege de grote belangstelling voor urnennissen gaf de vereniging in 1921 opdracht tot het ontwerpen van een bovengronds columbarium met een verbinding naar het crematorium. Het plan voor vleugels aan weerszijden van Van der Steur vond het bestuur te duur. Hierop ontwierp diens protégé S. Franco een onderkelderd columbarium voor de hoofdingang van het crematorium. Ook Poel nam de gelegenheid te baat om een plan in te dienen en stelde een hofbebouwing aan de achterzijde voor, opdat het oorspronkelijk aanzicht zou blijven. De vereniging kwam er niet uit en schakelde Berlage in. Nadat hij Poel als onbetrouwbaar en Franco als onbekwaam had geloosd, schoof hij zijn beschermeling W.M. Dudok naar voren, wiens ster rijzende was en die kort tevoren het ontwerp voor het raadhuis van Hilversum had voltooid. In overeenstemming met de inmiddels uitgekristalliseerde voorkeur van de vereniging ontwierp Dudok rechts van het crematorium een hofvormige uitbreiding, ingepast in het beboste duinlandschap. Tussen de urnennissen projecteerde Dudok een vijver, gevoed door een impluvium. Het tweede columbarium werd in 1926 gebouwd. De uit gele handvormsteen opgetrokken laagbouw verwees naar het stoffelijke en zou dankzij verwering weldra één zijn met de omgeving, dit in tegenstelling tot de toren, als verticaal contrapunt van de laagbouw Dudoks handelsmerk. De met een urn bekroonde toren was met zijn bekleding van witte en zwarte tegels volgens Dudok even onverzettelijk als het vraagstuk van leven en dood.
W.M. Dudok, Tweede columbarium bij het crematorium in Velsen, 1926

Al gauw waren de reacties van de vereniging en de gebruikers van het tweede columbarium even onverbiddelijk. Nu voorstanders van crematie hun keus niet meer alleen lieten bepalen door de schoonheid van het verassen, maar ook door een gevoelsmatige voorkeur, maakten de uniforme nissen op de gebruikers een kille indruk. In 1931 verschenen er dan ook bloembakken in het tweede columbarium, dat daardoor ging lijken op de door voorstanders van lijkverbranding ooit zo verfoeide begraafplaats.
Geïnspireerd door buitenlandse, vooral Duitse voorbeelden werd in 1933 bij het crematorium in Velsen een urnentuin aangelegd naar een door Dudok goedgekeurd ontwerp van tuinarchitecte S. Neurdenburg. Trappen maakten de terrassen in het duingebied toegankelijk. Tussen de bomen en planten konden nabestaanden op de grond hun urnen plaatsen. Meer nog dan het met bloemen aangeklede tweede columbarium had deze urnentuin veel weg van een landschappelijke begraafplaats.

Van strooiveld naar gedenkpark

In 1926 verbouwde begrafenisonderneming Kramer, sinds 1885 gevestigd te Arnhem, een winkelpand in de Spijkerstraat tot mortuarium. In het sobere, wit gepleisterde gebouw uit ongeveer 1900, gelegen buiten het centrum, werden overledenen opgebaard. Vergeleken met het schijndodenhuis en het lijkenhuis op de begraafplaats lag een mortuarium doorgaans in de stad en was het vaak ondergebracht in een ziekenhuis, dat ook dienst deed als sterfhuis. Het mortuarium had echter geen levensreddende of hygiënische, maar een sociale functie. Nabestaanden wilden de overledene niet meer thuis opbaren. In een samenleving, die steeds meer was gericht op het aardse bestaan, begon de dood een taboe te worden.
Ook andere ontwikkelingen wijzen hierop. Terwijl katholieke architecten gewoontegetrouw pleitten voor sobere begraafplaatsen, gingen beheerders van algemene begraafplaatsen zich in de jaren ’30 storen aan de chaos op het gebied van gedenktekens. In 1936 schreef het Centraal Genootschap voor Coöperatieve Lijkbezorging in Amsterdam een prijsvraag uit voor het ontwerpen van karaktervolle grafstenen. Ook werd een prijs uitgeloofd voor het inrichten van een esthetisch verantwoord grafveld met beplanting. Architect H.B. van Broekhuizen sleepte vrijwel alle prijzen in de wacht, maar het moest de jury van het hart, dat onder de inzenders geen vaklui met goede oplossingen waren. In 1937 werden de inzendingen tentoongesteld in Amsterdam en Den Haag. Ondanks de teleurstelling van de jury vond de prijsvraag weerklank. Zo installeerde de gemeente Almelo in 1937 een commissie, die de vormgeving en plaatsing van nieuwe gedenktekens op de algemene begraafplaats moest reguleren. Dit leidde tot dermate strakke maatregelen, dat het mede richting gaf aan eenvormiger en daarmee onpersoonlijker grafbedekkingen, wat ook op een geringere betrokkenheid met het levenseinde kan wijzen.
Nieuwe vormen van asbezorging hingen eveneens samen met een afstandelijker houding tegenover de dood. Vanaf 1935 konden mensen kiezen voor asverstrooiing op zee. Sinds 1938 waren bij het crematorium Velsen ook een strooivijver en een strooiveld aanwezig. Door de as te verstrooien, lieten nabestaanden datgene wat aan de onverdraaglijke dood herinnerde, letterlijk uit het openbare leven verdwijnen. Een grasveld voor asverstrooiing ontbeert elke architectonische vormgeving. Terwijl het kale kerkhof bij de kerk in het centrum van stad en dorp de vertrouwdheid met de dood typeerde, verwees het strooiveld bij een crematorium of op een begraafplaats aan de rand van de bebouwde kom naar het taboe rond de dood.
Gerrit Rietveld, Perspectieftekening van het interieur van de grote aula, prijsvraagontwerp uit 1941


Discussies over ontwerpen van crematoria door toonaangevende architecten in de jaren ‘40 en ‘50 verraden eveneens onzekerheid over de gewenste vormgeving. In 1941 schreef de Haagse afdeling van de Vereeniging voor Facultatieve Lijkverbranding een prijsvraag uit voor een cremat orium met columbarium. Het niveau van de 48 inzendingen stelde ook deze jury teleur. Het ontwerp onder motto ‘Wij stervelingen’ van Gerrit Rietveld viel al in de eerste ronde af. Rietveld had, in een tijd waarin de zoektocht naar een nieuwe monumentaliteit in de architectuur zich begon af te tekenen, met de prijsvraaginschrijving voor het eerst de gelegenheid zich te buigen over een thema met een uitgesproken monumentaal karakter. Hij stelt een basilikaal bouwwerk voor, ingeleid door een lange laan en een indrukwekkende trap. Van de wanddecoratie in het interieur is veel werk gemaakt. Door de met glaswol gevulde, dubbelglazen overkapping valt een licht getemperd, maar egaliserend licht, dat nadrukkelijk niet theatraal is of symboliseert, maar alle stervelingen in een zelfde lotsbestemming betrekt. De jury zal in Rietvelds ontwerp eerder een kas of een fabrieksgebouw herkend hebben dan een crematorium en was positiever gestemd over ontwerpen met oog voor symboliek en ceremoniële verhevenheid zoals dat van prijswinnaar S.C. de Boer. Overigens sleepten Mart en Lotte Stam een eervolle vermelding in de wacht met een ontwerp dat overduidelijk geïnspireerd is op het crematorium in Stockholm van Erik Asplund uit 1940, een bouwwerk dat ook voor de prijsvraaguitschrijvers een bron van inspiratie lijkt te zijn geweest gezien het programma van eisen voor de ontwerpwedstrijd
Inmiddels had Dudok in de jaren 1936-1941 voor het crematorium in Velsen een tweede aula, een tweede urnentuin, een derde en vierde columbarium en een kantoor met ontvangstruimte en dienstwoning ontworpen. Om nabestaanden in Noord- en Oost-Nederland een verre reis naar Velsen te besparen, ontwierp Dudok in 1941 op verzoek van de vereniging een tweede crematorium bij Zwolle. Het plan van het rond een hof gegroepeerde crematoriumcomplex met aula werd als een modelboerderij afgedaan. Mede door de oorlogstoestand werd het ontwerp terzijde gelegd. Pas in 1954 verrees bij Dieren alsnog het tweede crematorium van Nederland ontworpen door H.C.P. Nuyten. Dit moderne gebouw is wel vergeleken met een buurtkerk en een clubhuis. Het kreeg een ontvangstruimte, een aula en een koffiekamer. De ovenruimte lag hier niet onder maar achter de aula. De kist kon desgewenst aan het eind van de afscheidsplechtigheid langzaam en plechtig naar achteren worden geschoven. Op het terrein bevonden zich ook een columbarium, een urnentuin en een strooiveld.
Nadat de overheid door middel van de Wet op de lijkbezorging uit 1955 crematie wettelijk had geregeld en de katholieke kerk lijkverbranding sinds 1963 niet meer in strijd achtte met de lichamelijke opstanding, kozen in de ontzuilende samenleving steeds meer mensen voor crematie. In de periode 1962-2000 werden verspreid over Nederland zo’n vijftig crematoria gebouwd. In vergelijking met het buitenland hadden de weinige Nederlandse crematoria in eerste instantie een streekfunctie, terwijl bovendien met grotere aantallen nabestaanden per plechtigheid rekening moest worden gehouden. Daarom waren er een ontvangst- en een koffiekamer nodig, een grote aula en dito dienstvertrekken. In sommige gevallen werd in plaats van een enkel een dubbel crematorium gebruikt. A.H. Wegerif, lid van de jury van de in 1941 uitgeschreven prijsvraag en oud-voorzitter van de Vereeniging voor Facultatieve Lijkverbranding, tekende in 1955 als leidraad modelplattegronden voor enkele en dubbele crematoria, de laatste met aula’s van verschillende grootte en een scheiding van bezoekers- en personeelsstromen. Voor Groningen ontwierp Wegerif in 1962 een enkel crematorium, waarbij hij, in navolging van Asplunds gebouw in Stockholm, door middel van een glazen pui een opening naar het landschap bewerkstelligde, een ingreep die sedertdien veel vaker is toegepast. Daarentegen heeft het dubbele crematorium van Dick Apon in Rotterdam uit 1970 juist een gesloten karakter, in overeenstemming met het ingehouden verdriet van nabestaanden.
Doordat het ideologische onderscheid tussen begraven en cremeren was verdwenen, verrezen er ook crematoria op begraafplaatsen. Zo werd in 1974 ten noorden van Arnhem midden op de algemene begraafplaat Moscowa een crematorium gebouwd. Dankzij de toegenomen welvaart reden nabestaanden in eigen auto’s naar de uitvaart. Terwijl het afscheid en de crematie volgens een strak tijdschema plaats hadden, werd in de jaren ’70 de as van negentig procent van de gecremeerden verstrooid. Dit hoge percentage typeert het taboe rond de dood.
Het geloof in de maakbare samenleving, dat tot het midden van de jaren ‘70 symbool stond voor de gehechtheid aan het aardse bestaan, werd in de volgende tien jaar ondermijnd door economische crises en de ontdekking van aids. Wat betreft de funeraire architectuur werd schoorvoetend de ligging ten opzichte van de leefomgeving herijkt. De in 1977 voltooide, gemeentelijke begraafplaats Oosterdreef bij Almere Haven ligt wel buiten de bebouwde kom, maar een fietspad tussen de grafvelden verbindtin het ontwerp van Christiaan Zalm de begraafplaats met de verschillende stadsdelen. Zoals eens de 15de-eeuwse kapellen kennen de grafvelden door een hogere ligging en een afzetting met hagen een zekere beslotenheid die de nabestaanden de mogelijkheid geeft ongestoord te rouwen.
In de architectonische uitwerking van funeraire functies wordt in de ’80 de individuele mens als maatstaf gesteld. De op efficiëntie ingestelde terreinen en gebouwen moesten veranderen in sfeervol ingerichte ruimtes, waarbij rekening diende te worden gehouden met persoonlijke wensen. Zo is bij het crematorium in Dieren, dat in het midden van de jaren ’60 werd uitgebreid, in 1994 geprobeerd op die verlangens in te spelen een huiskamerachtige herinrichting van de ontvangstruimtes en koffiekamer. Twee jaar later werd op het buitenterrein de openluchtaula Eikenhof geopend, waar de nabestaanden temidden van groen afscheid konden nemen van overledene. Ook werd in 1996 een columbarium gerenoveerd, waarbij door het verwerken van groen in de urnenmuur, het aanleggen van een vijver en de plaatsing van banken de nabestaande een stemmige omgeving kunnen rouwen.
In de jaren ’90 werd nagedacht over de mogelijkheid tot het inrichten van rouwcentra in de stad. Ze dienden bovendien te beschikken over faciliteiten voor de afscheidsrituelen van nieuwe etnische groepen in Nederland. In Arnhem koos uitvaartonderneming Kramer voor een tussenoplossing. Zowel de uitbreiding van het pand in het centrum als een verhuizing naar een plek elders in de stad stuitten op verzet van buurtbewoners. Bovendien zou vanaf elke locatie in Arnhem de rouwstoet naar Moscowa problemen blijven opleveren. Daarom werden het kantoor in het centrum en het mortuarium in de Spijkerstraat verkocht en verhuisde Kramer in 1997 naar een nieuw uitvaartcentrum bij de ingang van Moscowa. Zoals funeraire functies eens in en rond de kerk gesitueerd waren, zo worden ze rond het eind van de 20ste eeuw steeds vaker op en rond het gedenkpark geconcentreerd. In het Arnhemse ontwerp van B. Rethmeier wordt de overledene binnengebracht in het souterrain met afzonderlijke ruimtes voor het afleggen en de koeling van het stoffelijke overschot. De aparte ingang is in overeenstemming met de richtlijn van de inspectie van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne, die nog steeds adviezen geeft voor de hygiënische inrichting van funeraire architectuur. Voor het overige is het rouwcentrum afgestemd op het laatste afscheid. In het souterrain worden de bloemen in ontvangst genomen en is er ruimte voor rituele wassingen van het lijk door joden en moslims. In het gebouw bevindt zich verder een mortuarium, een ontvangstkamer, een aula en een condoleanceruimte. De aanwezigheid van een aula in het uitvaartcentrum is een vernieuwing, die het nemen van afscheid losmaakt van het crematoriumcomplex of de begraafplaats. Na de veelal als zielloos ervaren ontwerpen uit de periode 1925-1975 vormen de gekozen oplossingen uit de jaren ’90 aanzetten om opnieuw te komen tot bezielde funeraire architectuur.